Ik houd van het Oude Testament. Jij ook?
30 september 2022
Hulp bij bidden
14 oktober 2022

Gedachten bij de week door ds. Wim Vermeulen

Wat moet er gebeuren met overgebleven avondmaalsbrood? Het antwoord op die vraag hangt sterk af van degene aan wie je het vraagt. Ooit bezocht ik een Rooms-katholieke eucharistieviering in Besançon (Frankrijk). Dat waren een soort oudgereformeerde katholieken, bleek al snel. De dienst geheel en al in het Latijn; priesters die de mis bedienden met hun rug naar de gemeente en de hostie met een klein tangetje op de tong van de kerkgangers legden; misdienaars die de priester als waren ze zijn schaduw volgden en voortdurend een schaaltje onder zijn hand hielden, want stel je voor dat de hostie zou vallen! Iets ergers zou nauwelijks denkbaar zijn. Overgebleven hostie werd naderhand zorgvuldig opgeborgen in een klein kastje, het tabernakel genoemd. In schril contrast daarmee herinner ik me in mijn vorige gemeente een moment waarop de kinderen van de koster zich na de dienst heerlijk tegoed deden aan overgebleven repen witbrood, terwijl deelname van kinderen aan de avondmaalsviering zelf niet gebruikelijk was. Op mijn wat gefronste blik, reageerde de koster verontschuldigend: “Als zij het niet opeten, moet ik het weggooien.”.

Achter deze liturgische praktijken, waarvan ik zojuist zo ongeveer de twee uitersten op een vloeiende lijn heb geschetst, gaan complete werelden en wereldbeschouwingen schuil, je zou er een boek over vol kunnen schrijven. Ondertussen neem ik waar dat het “zomaar weggooien” van avondmaalsbrood bij (onze) diakenen en kosters op toenemende innerlijke weerstand stuit. Alsof we diep van binnen toch ergens aanvoelen dat avondmaalsbrood niet “zomaar” brood is. Ook al geloof je met reden niet in transsubstantiatie, het brood (en de wijn) zijn toch “tekendragers” geweest. Wat is dan een passende manier om ermee om te gaan?

Als kerkenraad denken we zo’n manier te hebben gevonden, passend bij de traditie waarin we als gemeente staan. Calvijn en de andere reformatoren geloofden, net als hun rooms-katholieke broeders en zusters, wel degelijk in de reële aanwezigheid van Christus aan de tafel. Als er avondmaal gevierd wordt, is Christus onder ons aanwezig. Anders dan de rooms-katholieken verbonden zij dat minder één-op-één aan de tekenen van brood en wijn, aan de rol van de priester en aan het (op de juiste wijze) uitgevoerde ritueel. Calvijn zei: Christus is reëel aanwezig, door de kracht van de Heilige Geest. En daar zette hij een punt. Over dit geheim, vond hij, moest je verder niet al teveel willen doortheoretiseren. Voor de tekens van brood en wijn betekent dat dat ze bepaald niet betekenisloos zijn, maar ook niet behandeld hoeven te worden als waren ze het daadwerkelijke lichaam en bloed van Christus zelf. Ze zijn er een teken van, dat ons bepaalt bij wie Christus voor ons is, én dat ons (doordat we die tekens opeten en opdrinken) wil veranderen en in beweging wil zetten. Om dat laatste concreet te maken, krijgen vanaf nu na iedere avondmaalsviering één of enkele gemeenteleden het overgebleven brood mee naar huis. Het zit in een mooi mandje en er zit een kaart bij met daarop de volgende woorden:

“In de Jacobikerk is vandaag het avondmaal gevierd. Als teken van Christus’ liefde tot in de dood is wijn vergoten en brood gebroken. Een lied (Gez. 361) zegt het zo: ‘De Heer zegt woorden van leven, het woord geeft Hij ons in de mond. Hij geeft het om verder te geven. Het woord gaat van mond tot mond. / Wij brengen het brood naar de schare, de Heer geeft het ons in de hand. Het is er niet om te bewaren. Het brood gaat van hand tot hand.’ Het overgebleven Avondmaalsbrood komt vandaag naar jou toe. Op de achterkant van deze kaart vind je een recept waarin je dit brood verwerken kunt. We nodigen je uit het resultaat te brengen bij iemand die je zou willen bemoedigen. Zo maken we de woorden van het lied concreet.”