Vrucht van de Geest
10 juni 2022
Troosten en verstoren
23 juni 2022

Gedachten bij de week door ds. Wim Vermeulen

Een faalverhaal deze keer. Regelmatig gebeurt het dat er door de week bij de Jacobikerk aangebeld wordt voor een hulpvraag. Soms kunnen we helpen met een treinkaartje voor een bezoek aan iemands advocaat, een andere keer helpen we een dakloze aan wat beltegoed of een garantstelling voor een slaapplaats. De diaconie legt daar jaarlijks een bedrag voor opzij. Daarbij hebben wij predikanten van Wieke de Wolf (straatpastor) geleerd dat de kerk ‘bedonderbaar’ is. Dat wil zeggen: we helpen waar het kan, zonder aanzien des persoons, zonder eerst een dossier aan te leggen of iemands doopceel helemaal te lichten. Het risico dat je dan een keer opgelicht wordt, nemen we voor lief. Dat laatste is trouwens niet helemaal waar. Tenminste, niet eindeloos. Bij terugkerende hulpvragen informeren we wel uitgebreider naar iemands verhaal en proberen we als het kan door te verwijzen naar instanties.

Zo ook bij Pjotr (laat ik hem even zo noemen). Rond kerst stond hij met zijn vrouw en kind tijdelijk op straat, was het verhaal. Hij was in between houses en had onvoldoende geld voor een naar eigen zeggen korte overbruggingsperiode. Daar konden we in voorzien. Groot was dan ook onze verrassing hem een week of zes later opnieuw met min of meer hetzelfde verhaal op de stoep te zien staan. Nu kan Pjotr heel goed praten en opnieuw hebben we hem, zijn vrouw en zijn zoontje toen geholpen. Omdat het verhaal ons niet helemaal lekker zat, hebben we toen zijn naam eens gegoogeld. Dat was een tamelijk ontluisterende ervaring. Pjotr blijkt een iemand te zijn die bij gemeente, politie en instanties berucht is en zo ongeveer elk hulpverleningstraject al heeft doorlopen. ‘Die krijgt geen cent meer’, besloten we manmoedig.

Deze week stond Pjotr weer voor de deur. Met weer eenzelfde verhaal. Toen ik hem duidelijk maakten dat hij niet meer op geld van de Jacobikerk hoefde te rekenen, trok hij de teleurstellingstroefkaart. Ik was toch van de kerk? Moest hij dan gaan stelen? Daar was hij veel te rechtschapen voor. Hij was gedoopt, wist ik dat wel? En al die pech in zijn leven, dat was vast omdat hij moest boeten voor de zonden van zijn ouders en grootouders. Sinds het overlijden één van zijn kinderen was het alleen maar bergafwaarts gegaan met hem. Enzovoorts enzovoorts.

Toen hij na een kop koffie (met suiker alsjeblieft) eindelijk, eindelijk vertrok, bleef ik achter met een bijzonder katterig gevoel in mijn maag. Ik had hem afgepoeierd, dat was duidelijk, en dat voelde hij zelf ook heel goed aan. Ik vond hem vervelend, hij vroeg veel van mijn tijd en ik vertrouwde hem niet (meer).

Van de Engelse theoloog Sam Wells leerde ik ooit het principe van ‘overaccepteren’. Iemand doet je een verzoek. Dat kun je accepteren of blokkeren (de twee meest voor de hand liggende opties). Christelijk gesproken moet je, aldus Wells, altijd kijken of je kunt overaccepteren. Je gaat dan niet meteen mee met iemands verzoek, je poeiert hem ook niet af, maar je kijkt binnen jouw mogelijkheden wat je wél kunt doen. Ik probeer dit principe me al enige tijd eigen te maken. Soms lukt het ook. Maar die middag dus niet. Ik was te bevooroordeeld en teveel met mezelf bezig. ‘Zilver of goud heb ik niet’, zei Petrus tegen de verlamde bij de poort (Hand. 3). Dat heb ik die middag ook heel hard tegen Pjotr proberen te zeggen en met succes. Maar Petrus voegde er nog iets aan toe: ‘Wat ik wel heb, dat geef ik je’. Daarin heb ik dus nogal gefaald. Want ik had wel degelijk iets te geven. Ik had beter kunnen luisteren. We hadden kunnen bidden. Ik had hem over genade en vergeving kunnen vertellen. Ik had… nu ja, vast nog veel meer. Ook Pjotr is en blijft een mens, net als ik. Misschien komt hij binnenkort nog eens langs en krijg ik een herkansing.